1 miljard bezuinigen is kortzichtig

Ontwikkelingssamenwerking dreigt ten prooi te vallen aan de bezuinigingsdrift van onze overheid. NCDO-directeur Frans van den Boom reageert.

 "Er gaat een vast percentage van het overheidsbudget naar ontwikkelingshulp. Dat was 0,8%, dat is nu 0,7% en zal, als de bezuiniging doorgaat, verder dalen.

Ook bij de Nederlandse burger is ontwikkelingssamenwerking – samen met Europa en Defensie - op dit moment een favoriete bezuinigingspost. Overigens blijkt uit recent onderzoek van NCDO dat Nederlanders denken dat er maar liefst 5,6% naar ontwikkelingssamenwerking gaat en weet het merendeel niet dat er al ongeveer een miljard bezuinigd is.

Toch is die plek van ontwikkelingssamenwerking op het bezuinigingslijstje begrijpelijk. Dat heeft te maken met de gevolgen van globalisering en de veranderde machtsverhoudingen in de wereld. De verhoudingen tussen Noord en Zuid zijn verschoven. Vroeger was het gemakkelijk: wij zijn rijk en zij zijn arm, dus we moeten hen helpen. Maar tegenwoordig ligt dat gecompliceerder: “hun” welvaart stijgt en “zij” nemen “onze” bedrijven en banen over, waarom moeten wij dan zoveel bijdragen aan ontwikkelingssamenwerking? Daar komt bij dat de burger in zijn beleving de rekening gepresenteerd krijgt van eerst de banken- en nu de euro-crisis in de vorm van hogere premies en belastingen, een magerder en duurdere basisverzekering, lagere pensioenen en een uitgeklede studiefinanciering. In een dergelijke situatie is het hemd al gauw nader dan de rok.

Voor het kabinet is verder bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking om twee redenen aantrekkelijk: de bevolking steunt het, dus leidt het niet tot maatschappelijke onrust in Nederland. Vergeleken met andere maatregelen zoals hervorming van de arbeidsmarkt en het stelsel van de hypotheekrente waar het effect pas over een aantal jaren merkbaar is, levert bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking direct geld op. Verder bezuinigen op het budget voor internationale ontwikkeling is vanuit een korte termijn perspectief een aantrekkelijke optie, maar de essentie van regeren is toch vooruitzien. En het is nu juist de langetermijnvisie op internationale samenwerking en buitenlandbeleid waar veel te weinig aandacht voor is. Bij de politiek, de maatschappelijke organisaties en de media.

De afgelopen 15 à 20 jaar concentreerde de internationale agenda zich op armoedebestrijding. Dat had op vele fronten zijn effecten. De deelname aan onderwijs in arme landen is sterk gestegen, kindersterfte is drastisch afgenomen, pokken en polio zijn uitgeroeid, en mazelen en malaria zijn sterk teruggedrongen, vooral dankzij ontwikkelingshulp. Ontwikkelingssamenwerking heeft een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van de leefomstandigheden van vele miljoenen burgers in ontwikkelingslanden. Maar we mogen tegelijkertijd niet vergeten dat er nog ongelooflijk veel gedaan moet worden: 800 miljoen tot 1 miljard mensen zijn ondervoed, waarvan ongeveer een half miljard keuterboertjes; 1,2 miljard kinderen lopen risico omdat ze opgroeien in een sterk urbaniserende omgeving (het nieuwe stadsproletariaat); tientallen miljoenen mensen hebben geen toegang hebben tot antiretrovirale medicijnen en andere geneesmiddelen en vaccins. En jaarlijks sterven meer dan 350.000 vrouwen ten gevolge van complicaties tijdens de zwangerschap en bevalling. 99 Procent van hen woont in ontwikkelingslanden.

Tegelijkertijd moeten we werken aan een nieuwe internationale agenda, die zal - moeten – gaan over een eerlijke verdeling van de welvaart, over duurzame sociale en economische ontwikkeling en bescherming van het leefmilieu. Het gaat om een agenda rond ‘nieuwe schaarsten” en mondiaal publieke goederen. Schaarsten op het gebied van onder meer voedsel, grondstoffen en energie. Toegang tot mondiaal publieke goederen als vrede en veiligheid, schone lucht, bescherming van de zeeën en de biodiversiteit, financiële stabiliteit, gezondheid en kennis. Kortom, een lange termijn agenda die zich bekommert om onze kwaliteit van leven en die van toekomstige generaties.

Het uitvoeren van deze nieuwe agenda voor internationale ontwikkeling vergt een enorme krachtsinspanning van overheden, bedrijfsleven, wetenschap en technologie, maatschappelijke organisaties en burgers. Maar het is ook een agenda die vele kansen biedt voor innovatie en economische, ecologische en sociale groei wereldwijd. Voor de uitvoering van deze agenda zullen de noodzakelijke middelen hoger zijn dan de middelen die we nu investeren in ontwikkelingssamenwerking (0.7% van het BNP), maar dit geld zal op termijn onderdeel moeten zijn van een geheel nieuw internationaal financieringsstelsel voor deze nieuwe internationale ontwikkelingsagenda, waarbij beleidscoherentie een centraal thema zal zijn. Dat betekent een fundamentele discussie rond de criteria voor officiële hulp zoals vastgesteld door de OESO- DAC, en het ontwikkelen en implementeren van andere vormen van financiering. Die discussie kan niet snel genoeg starten. Die discussie zal glashelder moeten maken dat investeren in mondiale duurzame ontwikkeling onontkoombaar en in ieders belang is en het meest effectief is als dit mondiaal goed afgestemd wordt.

Maatschappelijke organisaties kunnen deze discussie wel aanzwengelen, maar het zijn uiteindelijk regeringen die besluiten moeten nemen. Hoe moeilijk dat ook is. Daarover liet Pascal Lamy (directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie) tijdens een op uitnodiging van de NCDO recent bezoek aan Nederland, geen twijfel bestaan: de onderhandelingen over de hervorming van de wereldhandel zitten muurvast - en dat staat niet op zichzelf. Het geldt ook voor de klimaatonderhandelingen, afspraken over de mondiale gezondheidszorg, en de wereldwijde biodiversiteit. Staten zijn de eerst aangewezenen om in internationaal verband een effectieve agenda vorm te geven en uit te voeren om deze urgente uitdagingen het hoofd te bieden. Lamy deed dan ook een appèl op bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om druk te blijven uitoefenen op regeringen, zodat die hun verantwoordelijkheid zouden nemen.

In tijden van crisis is het begrijpelijk als mensen eerst aan zichzelf denken en op korte termijn denken en doen. Het risico is wel een geïndividualiseerde vorm van protectionisme en isolationisme, die leidt tot stagnatie. Maar dat geldt ook voor een land. Als Nederland zich terugtrekt achter de dijken, miskent het de grote mondiale uitdagingen die zeer urgent zijn – ook voor Nederlanders. Het zou de Nederlandse regering sieren, als ze het voortouw zou nemen bij het formuleren van deze nieuwe, brede agenda rond internationale samenwerking en ontwikkeling."

Frans van den Boom, directeur-bestuurder van NCDO