Uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking
De rijke landen hebben herhaaldelijk afgesproken minimaal 0,7% van hun Bruto Nationaal Product (BNP) aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Desondanks zijn er nog maar weinig landen die zich aan deze afspraken hebben gehouden (zie hieronder ‘Wat geven andere landen?’). In 2010 maakte de Nederlandse overheid 0,8% van het BNP vrij voor ontwikkelingssamenwerking. Het Kabinet-Rutte wil dat percentage vanaf 2012 terugbrengen tot 0,7%, met 0,75% als tussenstap in 2011. Ook de Nederlandse bevolking geeft veel geld aan ontwikkelingsorganisaties en goede doelen. En steeds belangrijker worden de zogeheten remittances, dat zijn de geldovermakingen van migranten naar hun land van herkomst. Budget overheid In 2010 besteedde de Nederlandse overheid 4,8 miljard euro aan ontwikkelingssamenwerking. Het kabinet wil de komende jaren flink gaan bezuinigen op de uitgaven. Voor 2011 is een bezuiniging van 400 miljoen aangekondigd (zie hierover de Kamerbrief Ben Knapen). Het geplande budget voor 2011 was 5 miljard, na de bezuiniging van 400 miljoen blijft er dus 4,6 miljard over voor dit jaar. Zie voor een vergelijking met de oude begroting Waar wordt er bezuinigd, waar komt er geld bij? De belangrijkste beleidsthema’s in 2010 waren:
Van het budget werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken ongeveer 4,3 miljard uitgegeven. Het resterende deel betrof onder meer afdrachten aan de EU, uitgaven van andere ministeries, schuldkwijtschelding en apparaatskosten. Kanalen Het overheidsbudget wordt voor het grootste deel verspreid via drie kanalen: het bilaterale, multilaterale en het particuliere (maatschappelijke) kanaal. Het bilaterale kanaal omvat het geld dat rechtstreeks via de Nederlandse ambassades aan een beperkt aantal landen wordt gegeven. Tot maart 2011 ging het om 33 zogeheten partnerlanden (zie onder). Het multilaterale kanaal is de geldstroom die naar multilaterale organisaties gaat als de VN en de Wereldbank, die er vervolgens zelf weer ontwikkelingsprojecten mee financieren. Bij het particuliere kanaal tenslotte gaat het om subsidies die de Nederlandse overheid geeft aan tientallen hulporganisaties als Oxfam Novib en Cordaid. De verdeling van het budget over de verschillende kanalen in 2010: - Bilateraal 30% - Multilateraal 24% - Maatschappelijk 23% - Bedrijfsleven 6% - EKI (exportkredietverzekering, zie ook jargon verklaard) 7% - Overig 10% Een volledig overzicht van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking (ODA) per beleidsterrein is te vinden in de zogeheten HGIS-nota (2011) van het ministerie van Buitenlandse Zaken (pagina 22 en 23). Eerdere HGIS-nota's: 2010, 2009, 2008, 2007, 2006, 2005. Een overzicht van de voor 2011 geplande uitgaven per partnerland (na de doorgevoerde bezuinigingen) zijn te vinden in de kamerbrief Antwoord kamervragen focusbrief ontwikkelingssamenwerking (mei 2011). In het rapport Geldstromen Ontwikkelingssamenwerking (februari 2010) geeft de Algemene Rekenkamer een uitgebreid overzicht van de verschillende geldstromen. Aan welke landen geeft de Nederlandse regering hulp? Nederland had tot maart 2011 nog een ontwikkelingsrelatie met 33 landen, de zogeheten partnerlanden: Afghanistan, Bangladesh, Benin, Bolivia, Burkina Faso, Colombia, Egypte, Ethiopië, Georgië, Ghana, Guatemala, Indonesië, Jemen, Kenia, Kosovo, Mali, Moldavië, Mongolië, Mozambique, Nicaragua, Oeganda, Pakistan, Palestijnse Autoriteit, Rwanda, Senegal, Suriname, Tanzania, Vietnam, Zambia en Zuid-Afrika. De hulprelatie met Bosnië-Hercegovina, Eritrea, Sri Lanka, Albanië, Armenië, Kaapverdië en Macedonië (FYR) werd al eerder afgebouwd. Het kabinet-Rutte heeft besloten om het aantal partnerlanden fors te verminderen, zo blijkt uit de focusbrief ontwikkelingssamenwerking van 18 maart 2011. De volgende 15 landen blijven partnerland: Afghanistan, Bangladesh, Benin, Burundi, Ethiopië, Ghana, Indonesië, Jemen, Kenia, Mali, Mozambique, Oeganda, Palestijnse gebieden, Rwanda en Soedan. Drie landen worden nog tijdelijk geholpen om van ontwikkelingssamenwerking naar economische samenwerking te gaan: Colombia, Vietnam en Zuid-Afrika. Het kabinet Rutte wil het aantal partnerlanden op termijn terugbrengen naar tien. Verder gaat via organisaties als de VN, Wereldbank en EU (ook wel het multilaterale kanaal) genoemd ook Nederlands geld naar andere landen dan de partnerlanden waar Nederland bilaterale hulp aan geeft. Wat geven andere landen? In 2010 maakten Noorwegen (1,1% van het BNP), Luxemburg (1,09), Zweden (0,97), Denemarken (0,9) en Nederland (0,81) naar verhouding het meest vrij voor ontwikkelingssamenwerking. Ter vergelijking: Japan en de VS besteedden in dat jaar ongeveer 0,2% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking. Ook Spanje (0,48), Duitsland (0,38), Griekenland (0,17) en Italië (0,15) scoren een stuk lager. In absolute aantallen spendeert de VS veruit het meest met ruim 30 miljard dollar. Zie OECD voor een landenoverzicht van de uitgaven in 2010 en een overzicht van de totale uitgaven sinds 1950 (excel) aan ontwikkelingssamenwerking. Zie ook de website van Worldbank en OECD waarop een overzicht te vinden is van de geldstromen per land: aidflows.org. Wat geven de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties? De 98 grotere ontwikkelingsorganisaties gaven in 2009 samen ongeveer 1 miljard euro uit. India, Indonesië en Soedan ontvingen het meest. Het CIDIN (universiteit Nijmegen) heeft samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken een database ontwikkeld, waarin per land en per ontwikkelingsorganisatie inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel geld wordt uitgegeven. Ga daarvoor naar www.ngo-database.nl.
Pagina laatst bijgewerkt: 7 juli 2011
|